Een collectief lichaam
Interview met John M Armleder
Hoe heb je Genesis P-Orridge ontmoet?
Ik ontmoette Genesis in Londen, ten tijde van COUM Transmissions
i
Nadat hij in Londen deelgenomen heeft aan activiteiten van David Medalla’s experimentele hippiegemeenschap Exploding Galaxy, sticht Genesis P-Orridge samen met Cosey Fanni Tutti het collectief COUM Transmission: hun geïmproviseerde en bewust provocatieve acts zijn gestoeld op performances, poststukken en muziek.
of misschien zelfs nog vroeger. Ik werkte toen samen met Stephen Willats. De kunst die hij maakte, werd beïnvloed door sociologie en hij publiceerde onder andere een tijdschrift dat Control heette. Door het raam zag ik plots iemand een vreemde dans bij een boom uitvoeren. Dat bleek Genesis te zijn. We hebben gepraat over performance en mail art, zelfs toen al. Enige tijd later zag ik hem - deze keer in Soho - performen met de hele COUM-groep, onder wie ook Cosey Fanni Tutti.
Ik weet nog heel goed dat ik een paar jaar later Prostitution heb bezocht, de tentoonstelling van COUM in het Institute of Contemporary Arts. Cosey toonde er een reeks foto's waarin ze haar seksualiteit onthulde; ze was immers zelf in de wereld van de porno-industrie geïnfiltreerd. Het was onvoorstelbaar: een week na de opening had het project al zo’n schandaal veroorzaakt dat de expositie de deuren moest sluiten. Wanneer ik vandaag in mijn archieven duik, merk ik dat Genesis en ik best veel per post hebben gecorrespondeerd. Hij was een fervente liefhebber van mail art.
De expositie Loyalty Doesn’t End with Death onthult voor de allereerste keer een halve eeuw aan correspondentie tussen jullie…
Genesis is verschillende keren naar Genève gekomen. Ik herinner me haar in de boekenwinkel bij Ecart, waar we toen allerlei dingen voorstelden, en een andere keer in het Palais de l’Athénée, waar ik had tentoongesteld. We hebben elkaar lang niet gezien, maar we zijn nooit gestopt met corresponderen. Ik zag haar pas terug nadat ze Engeland gedwongen had verlaten voor de Verenigde Staten, want in die tijd reisde ik zelf regelmatig naar New York. Op een dag hadden Sylvie Fleury en ik in de Ace Gallery tentoongesteld, in 1999 was dat. De tentoonstelling kwam van Los Angeles en werd in New York voorgesteld. Genesis, die toen al een ‘zij’ was geworden, arriveerde en zei: “Vind je niet dat ik net een oude Engelse dame lijk?” Ze was samen met haar partner Lady Jaye een soort van ‘tweelingproject’ begonnen. Dat is ergens ook een tragisch verhaal, want hoewel ze fysiek erg verbonden leken, verdween haar geliefde uit haar leven. Misschien is Genesis op dat moment en op een bepaalde manier beide personen geworden…
Jullie samenwerking kreeg pas echt vorm rond het boek G.P.O. versus G.P-O dat je in 1976 bij Ecart Publications in Genève uitbracht. Dit werk, dat een cultstatus heeft gekregen, werd in 2013 heruitgebracht door een Amerikaanse uitgeverij. In zekere zin staat het ook centraal in de tentoonstelling die je bij KANAL – Centre Pompidou organiseert.
In 1975 werd Genesis door het Britse General Post Office voor de rechtbank gedaagd omdat ze briefkaarten met een nogal pornografische inhoud had rondgestuurd. De briefkaarten beeldden de Britse koningin af in taferelen die, het moet gezegd, meer dan suggestief waren. Van het proces, een jaar later in 1976, heeft Genesis een echte performance gemaakt. Zo nodigde ze bijvoorbeeld een hele rist persoonlijkheden uit om in haar voordeel te getuigen, waaronder William S. Burroughs. Samen met Genesis heb ik daarna alle documenten verzameld die betrekking hadden op het proces waarvan ze dus een echt kunstwerk had gemaakt. Uiteindelijk hebben we het boek G.P.O. versus G.P-O gepubliceerd: de titel is tegelijk een woordspeling en een verwijzing naar de gelijkaardige namen van beide partijen die elkaar tijdens het proces in de ogen kijken. Het was Genesis zelf die ermee voor de
dag kwam.
Het proces dat een kunstwerk wordt kent trouwens een lange traditie in de kunstgeschiedenis
i
In 1926 begint Constantin Brancusi met hulp van Marcel Duchamp een rechtszaak tegen de Verenigde Staten om zijn stukken als kunstwerken te laten erkennen. De zaak draait uit op een publieke denkoefening over de eigenlijke definitie van een kunstwerk.
. Ik gaf mijn ja-woord voor dit publicatieproject omdat het proces van de Engelse staat tegen een kunstenaar me deed denken aan de rechtszaak van de ‘Chicago Seven’, waarin zeven militanten van Amerikaans links die gewoon samenkwamen om tegen de Vietnamoorlog te protesteren, voor een ‘federal grand jury’ terechtstonden voor samenzwering. Onder de veroordeelden bevonden zich Abbie Hoffman en Jerry Rubin als bekendste namen, maar ook Bobby Seale, een activist en Black Panther. Ook die zaak was al een soort van mediaperformance, hoewel misschien onbewust. Bovendien herinnerde ze me aan mijn eigen geschiedenis. Op het einde van de jaren ‘60 werd ik zelf twee keer opgesloten omdat ik weigerde mijn militaire dienstplicht te vervullen. Het is na deze ervaring dat we Ecart
i
Collectief, galerij in eigen beheer, uitgeverij voor kunstenaars, boekenwinkel en theesalon: van 1969 tot 1982 is Ecart als artist-run space actief in Genève. Het gedrukte object werd er beschouwd als een artistieke format. Ecart runde ook een letterlijk ‘underground’ drukatelier in de kelder van Hôtel Richemond, waar zich ook de kunstruimte bevond die John Armleder, Patrick Lucchini en Claude Rychner hadden opgericht.
oprichtten.
Er zijn een heleboel raakvlakken tussen jullie persoonlijke kunstbezigheden, maar ook tussen die van Ecart en COUM: het collectief uitvoeren van performances, een bepaalde logica van misleiding, een situationistische erfenis, ...
Ik zag al heel vroeg de performances van COUM Transmissions. Ik was erbij toen Genesis tijdens tentoonstellingen het woord nam, verhalen vertelde, films projecteerde. De concerten van Throbbing Gristle en Psychic TV waren erg indrukwekkend en bereikten bovendien een groot publiek. Hun ervaringen bleken doorslaggevend voor wat later bekend zou worden onder de naam Industrial Music. Genesis zelf bekleedt een prominente plaats in de geschiedenis van de hippie-tegencultuur, de punk en de geboorte van elektronische muziek.
COUM en Ecart deelden een interesse voor recuperatie: de collages van Genesis vertrokken van een logica van montage, misleiding en hergebruik die wij ook interessant vonden. Maar zijn bezigheden hadden misschien een meer ‘ingeklede’ kant. Toen we elkaar leerden kennen, was ik zelf een hippie. Uiterlijk leken we dus wel op elkaar, er bestond een zekere esthetische affiniteit tussen ons, maar daarna veranderden de zaken.
Ik weet niet of Genesis en de COUM-leden Ralph Rumney kennen, maar waarschijnlijk hebben de situationisten een invloed gehad op hun praktijken
i
Ralph Rumney (1934-2002) was een Engelse kunstenaar die op het einde van de jaren 50 de Situationistische Internationale mee oprichtte. Hij was de echtgenoot van Pegeen Guggenheim, dochter van Peggy Guggenheim, een bekende kunstverzamelaarster die goed bevriend was met de moeder van John Armleder.
. Via Rumneys zoon heb ik trouwens zelf werken van hem gekocht en ik heb ze aan het MAMCO in Genève geschonken. Toen Peggy Guggenheim een relatie met Max Ernst had, woonde ze in Lausanne. Daar heeft mijn moeder hen ontmoet. Rumney was getrouwd met Pegeen, de dochter van Peggy, en ik herinner me dat ze toen sprak over een man, een kunstenaar, die ze had ontmoet en die tekeningen in de tuin van de Guggenheims gooide. Die kunstenaar was Rumney. Op een bepaalde manier raakte ik dus verboden met die tak van de situationisten, maar zoals algemeen bekend waren ze nog erger dan de dadaïsten, surrealisten of lettristen: ze sloten elkaar voortdurend uit. En Ralph, die vanaf 1958 werd uitgesloten, was nog zo bijzonder. Ik ben dus afkomstig uit een traditie die er zelfs geen is!
Mijn moeder was Amerikaanse, maar werd niet in de Verenigde Staten geboren. Ze bewonderde de Verenigde Staten, zag de donkere kant van het land helemaal niet. Ik zal nooit vergeten hoe we eind de jaren 50 voor het eerst voet op het continent zetten, in volle segregatieperiode. Mijn moeder zag die vreselijke periode niet voor wat ze was. In de jaren 60 ben ik er verschillende keren teruggekeerd. Mijn moeder gaf me veel vrijheid, ze was erg liberaal. Daarom zag en ontmoette ik toen veel kunstenaars van de New Yorkse scene, zoals danser Bob Morris en Carolee Schneemann, die het middelpunt van die wonderlijke, bruisende scene vormde. In het kader van It Never Ends tonen we trouwens ook de films van Schneemann.
Op het einde van de jaren 60 vormt COUM het middelpunt van de Britse tegencultuur, als icoon ervan maakt Carolee Schneemann de oversteek naar de Verenigde Staten en op een bepaalde manier is Ecart de trigger voor het ontstaan van de tegencultuur in Zwitserland.
Ja, al weet ik niet of dat toen ook even duidelijk was. Ecart had een veel behoedzamere houding tegenover het bevestigen van een afwijkende politieke attitude. We waren een groep schoolkameraden. Voor en zelfs tijdens de opening van galerij Ecart was roeien onze belangrijkste bezigheid. We bewogen ons in een parallelle wereld. Volgens een strak ritme - vijf keer per week - organiseerden we geheime activiteiten, zoals door de straten lopen en de daken aanschouwen, artistieke workshops op het water of in de sneeuw, dat soort dingen. Ecart werd in 1969 opgericht tijdens een performancefestival in de kelders van Hôtel Richemond, dat eigendom van mijn ouders was. Het was allemaal een rechtstreeks gevolg van de gebeurtenissen van 1968. Een groot deel van de aanwezigen had banden met die bewegingen. En we weten niet hoe ze van ons af wisten, maar plots waren ze er: popgroepen die op verschillende plaatsen in Genève speelden. Er waren een aantal agenten in burger, omdat er natuurlijk heel wat illegale substanties rondgingen. En zelfs de koks van het Richemond-hotel waren er!
Er is een verband met het lichaam, dat als een rode draad zowel jouw activiteiten met Ecart als de activiteiten van Genesis P-Orridge en Carolee Schneemann doorkruist.
Samen met Claude Rychner beoefenden we vaak yoga. We volgden opleidingen bij verschillende traditionele yogi’s en ik ging me ook sterk interesseren voor macrobiotiek. Tijdens de reis naar Londen waarop ik Genesis voor het eerst ontmoette, leerde ik dokter Georges Ohsawa kennen: de stichter van de macrobiotiek, die dacht dat hij filosofie en het bestaan kon samenbrengen dankzij een transformatie van het dieet. Bij Genesis tast de ervaring de grenzen af, terwijl Ecart zich dichter bij de zen en bij John Cage bevindt. Wij traden uit ons lichaam. Er zat niet echt lichamelijke agressie in onze performances en en als er fysieke handelingen aan te pas kwamen, dan kwamen die van het roeien.
Tien jaar lang hebben we drie tot vier uur per dag samen geroeid. Die grote fysieke inspanning was deels natuurlijk en deels opgelegd: je doet een beweging en herhaalt ze steeds opnieuw - nog een keer en nog een keer - maar je moet die beweging ook aan jezelf opleggen - opnieuw en opnieuw - telkens wanneer je ze uitvoert.
Dankzij die Oosterse spiritualiteit en het roeien merkten we dat het mogelijk was om ons lichaam te overstijgen. Vanaf 1969 zijn onze acties en performances publiek geworden. Dat is de kloof, de ‘écart’ met de verborgen activiteiten voorafgaand aan de stichting van de groep. Daaraan ontlenen het collectief en de plaats die we zouden openen ook hun naam. Het is een manier om de impact van een bewustzijn op het lichaam tijdens fysieke activiteiten te meten. Tegelijk zit het idee erin vervat dat zulke meting net zo goed tot stand komt door een uitwaartse blik en niet alleen door onze persoonlijke, interne ervaring of de interne uitwisselingen binnen onze kleine groep. Wat zo spannend is binnen een roeiteam - en dat geldt wellicht ook voor een heleboel andere activiteiten - is dat het collectief één enkele persoon wordt. Die factor vind je ook terug bij Genesis, in het kader van zijn gezamenlijke project met Lady Jaye, of in Carolee Schneemanns film Fuses uit 1967 die we hier tonen, waarin lichamen zich vermengen om de indruk te wekken er één te worden. Dat is het mooie aan collectieve projecten: wanneer de verlangens en wensen van de ene de acties en levens van anderen aanwakkeren.